Vechten of vluchten

Met groep 5 Kijken we naar de film “the Boy Who wanted to be a Lion” (Alios Di Leo) De kinderen denken na over overwinning en zelfvernietiging. Over jezelf zijn, over identificatie of iemand anders willen zijn. Over willen winnen of willen verliezen of niet willen winnen. We raken verstrengeld in de logica en de wet van de uitgesloten derde, we ontdekken verschillen tussen twee schijnbaar gelijken.

Wat heb je gezien?

“De jongen ging de leeuw diep aankijken. Want hij wilde een leeuw zijn. De leeuw zag dat hij een nep staart met zijn handen pakte en daardoor zag de leeuw dat hij een mens was en geen leeuw. De moeder ging tegen hem schreeuwen , maar hij hoorde het niet omdat hij doof was, maar hij begreep wel aan zijn moeder dat ze boos was, omdat hij het zag. “

Waarom?

“Omdat hij leeuwen leuk vindt, hij wil vrienden zijn met de leeuw. Hij wilde dood gaan omdat hij doof is. De jongen heeft zich verkleed als leeuw want hij wilde heel dichtbij de leeuw zijn.. hij ging de kooi in omdat hij de leeuw cool vond. Hij wilde bij de leeuw wonen, omdat zijn moeder boos was.  Hij wil vrienden zijn met de leeuw.”

Is hij ook een leeuw?

 

“Nee zijn gezicht is nog zijn gewone gezicht. Als hij het pak aantrekt  krijgt hij krachten. Een leeuw kan hoog springen en hij kan het ook door het pak. Hij wilde niet met zijn handen eten, want dat doet een leeuw niet.  Hij wist dat hij als mens niet zo maar naar binnen kon gaan. Dus hij moest er uitzien als een leeuw.”

De kinderen verzinnen zelf vragen over de film:

Waarom doet hij het hek open?

“Omdat hij denkt dat de leeuw vrijheid verdient. Omdat hij de leeuw leuk vindt, Omdat ze met de hele school naar de dierentuin zijn geweest. Omdat hij vrijheid wil. Misschien vindt hij het zielig. De jongen kijkt blij naar de leeuw, omdat hij niet verdrietig was. Het is zielig want de leeuw staat gewoon alleen. “

Waarom wil de jongen aandacht van de leeuw?

“Omdat hij gek is. misschien ene beetje, maar hij wil gewoon kijken hoe die leeuw doet. Omdat een leeuw een dier is en anders dan mensen.”

 

Wil de jongen winnen van de leeuw?

“Nee, hij wil alleen maar kijken, hij wil winnen van de leeuw. Als die jongen ging winnen , dan zou de leeuw ergens anders zijn. Als de leeuw in een kooi zit dan heeft de jongen gewonnen. Hij wil niet in de leeuw zijn, alleen kijken hoe het gaat. Als hij wint is hij populair in de klas. Hij wil winnen want hij wil de baas zijn van de leeuw. Hij wou winnen om de wedstrijd van de leeuw, dan wordt hij de nieuwe baas. Hij wou winnen dan is hij de baas en de knapste van de klas. Als hij zou winnen is hij nog steeds niet de baas, want er zijn andere leeuwen, dan zouden de andere eeuwen hem aanvallen. “

Visualisatie en digotomiseren van “stemming” JA?of NEE?

De kinderen hebben afgelopen week nagedacht over bovenstaande vraag. Een jongen uit de klas heeft een inventarisatie gemaakt in het klassenboek van ja en nee. De kinderen die nee hebben geantwoord krijgen een rood papiertjes en de kinderen die ja hebben gezegd een groen papiertje. We doen een oefening in de kring; alle roden gaan links van mij zitten en alle groenen rechts. We zien goed dat er meer roden zijn dan groenen. Dan is de opdracht aan de kring om rood en groen gelijk te vermengen door elkaar. Er wordt geschoven en gewisseld in de kring. Rood en groen is gelijkelijk over de kring verdeeld.

We gaan in gesprek in de kring over de vraag en diepen het verder uit. De kaartjes in de kring geven voor mij als gespreksleider de start positie van de kinderen aan.

Waarom wil de jongen niet winnen?

“Hij wilde gewoon spelen met de leeuw want hij vond de leeuw leuk, en toen heeft de leeuw hem opgegeten. Hij wou gewoon doodgaan omdat hij doof was.   Als je niet wil winnen dan  wil je verliezen.”

Is dat hetzelfde?

“Ja, als je wint dan wil je gewoon winnen, dus als je verlies dan wil je dus niet winnen. Het kan ook zo zijn dat je wel wil winnen, en dat je dan toch verliest, maar je wil niet verliezen.”

We doen een oefening.

Hoe sta je er bij als je wil verliezen?

“Enkele kinderen doen dit voor en gaan staan voorover gebogen met een hangend hoofd.”

Hoe sta je erbij als je niet wilt winnen?

“Kinderen gaan met hun armen over elkaar staan. sommigen met een onverschillige houding.”

Wat zie je voor verschil?

“We gaan in het gesprek terug naar de eerdere vraag waarvoor de groene en rode kaartjes zijn uitgedeeld.”

Wil de jongen winnen van de leeuw?

“De jongen dacht dat hij zou winnen van de leeuw. De jongen dacht dat de leeuw niet zou geloven dat hij een leeuw was. Je ziet zijn gezicht en zijn handen. Die zijn van een mens en de leeuw denkt dat een mens sterker is.”

Kan je een situatie verzinnen dat een mens kan winnen van een leeuw?

“Met een pistool, met een bijl, met schoenen je kan rennen, je kan hem met een auto overrijden. Je kan hem in een val lokken, maar dan moet hij er toch weer uit, je moet hem eruit halen, of hij komt er uit en dan heb je dus niet gewonnen. Je kan ook wegrennen.”

Heb je gewonnen als je wegrent?

“Nee dan heb je niet gewonnen. Nee als een tijger sneller rent dan eet hij je nog steeds op. Nee want je hebt niet gevochten. Als er twee jongens ruzie maken op het schoolplein en eentje rent er weg, dan is de ruzie er nog. Je hebt toch wel gewonnen als je wegrenten je bent sneller dan de ander.”

Filosofieles ontworpen in opdracht van Stichting Rotterdam Vakmanstad in samenwerking met Mirjam Poolster.

 

Posted by | View Post | View Group

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *