Gulzige Geit

Het boek Gulzige Geit, Petr Horácek (Lemniscaat, 2017) is heel geschikt om met jonge kinderen (kleuters) te filosoferen over eten en  over de invloed van eten op hoe je er uit ziet en hoe je je voelt, over wat je wel of niet mag of kan eten en  het verschil tussen mensen en dieren. En dingen kunnen leren of al weten. Hier heb je een handleiding om het filosofisch gesprek rondom deze onderwerpen te starten.

Het verhaal: vertraag je tempo en herhaal!

Als start van de les vertel ik het verhaal van de Gulzige Geit. Ik gebruik de plaatje uit het boek , maar vertel het verhaal uit mijn hoofd om het levendiger te maken.  Je kan er ook natuurlijk voor kiezen om het voor te lezen. Neem daarvoor de tijd  en herhaal soms zinnen uit het verhaal. Kinderen hebben het filosofische gesprek  tijd nodig om zelf na te gaan denken over wat je vertelt of voorleest. Het verhaal is vooral een stimulans voor hun associatief, creatief en onderzoekend denken.

Het filosofisch gesprek is in veel opzichten  tegenovergesteld aan een onderwijsleergesprek. Als begeleider ben je niet gefocust op “het goede antwoord”. Je vraagt niet naar het verhaal in feiten en kennis.  Dat maakt het ook vaak ingewikkelder omdat je van te voren  niet weet wat er gezegd gaat worden. Luisteren is voor de begeleider van een filosofisch gesprek extra belangrijk. En je moet steeds improviseren met je vraagstelling op wat er uit de kinderen zelf komt.  Laat gerust stiltes vallen en kijk goed om je heen naar de kinderen wat hun lichaamstaal is waaruit hun betrokkenheid en denklevendigheid  zichtbaar wordt.

Maak tastbaar en zichtbaar.

Voor de tastbaarheid neem ik materialen mee; een knuffeldier uit het verhaal, bv. een  knuffelgeit en een bak met verschillende soorten fruit en groenten etc. Ook kan je juist dingen meenemen die wellicht niet te eten zijn zodat de kleuters kunnen sorteren(zie verder hieronder)

Zoek aansluiting bij de kleuters

Ik vertel het verhaal in stappen. Afhankelijk van de reactie’s van de kleuters stop  ik  het verhaal regelmatig en stel een vraag of reageer op de reacties  van de kinderen. Ik kan het zien (en horen) als ze aan het denken slaan! Hierdoor kan het gesprek  in veel verschillende richtingen gaan. Ik stuur zo weinig mogelijk in een specifieke richting. Het vertellen van het hèle verhaal is niet een doel op zichzelf. Ik luister goed naar uitspraken (beweringen ) van de kinderen en vraag daarover door. (zie hieronder). Laat je niet verleiden door feiten te vragen en “goede antwoorden” te benadrukken en te belonen met complimenten. Dit gesprek gaat niet over kennis en weten, maar over denken.

Stel open vragen; waarom? Hoe komt het dat? Hoe ziet het eruit? Heb jij dat ook? Schroom niet om zo’n vraag ook meerdere malen te herhalen. Soms zeggen de kinderen “Waarom vraagt u steeds hetzelfde?” dat zeg ik “ja , er komt ook steeds  weer een ander antwoord, luister maar”

Herkennen van filosofisch perspectieven en denkstappen

Het doorvragen hangt nauw samen met het herkennen van filosofische perspectieven. heeft een uitspraak van een kind betrekking op  bijvoorbeeld een van de volgende soort vragen?

Ethische (mag het/ moet het ?)

Sociaal/maatschappelijk; Vrijheid en autonomie (mag je zelf kiezen..?

Esthetisch (hoe ziet het eruit, hoe voelt het?)

Causaal/ historisch (hoe komt het dat?)

Pragmatisch (hoe werkt het?)

Ontologisch (wat is…een mens, dier etc?

Wees uiterst gespitst op woorden die verbindingen maken in het denken; want, als, dus, maar,  omdat,als, dan etc . Ook zijn woorden als Altijd, nooit, mag niet, kan niet, moet ingangen om door te vragen.  Hier komen de interessante beweringen van de kinderen naar voren.

Leren uit ervaring; begin klein!

Dit boek “Gulzige Geit”  heb ik in al meer dan  20 kleuterlessen gebruikt om te filosoferen en elke keer verloopt het anders. Het is maar net waar de kleuters in hun hoofden mee bezig zijn, wat ze meemaken thuis of op school etc.

Hieronder neem ik je mee in het verhaal en geef aan bij welke afbeelding en tekst uit het boek  je een denkvraag kan stellen en hoe je  kan doorvragen. Steeds geef ik daarbij ook fragmenten aan uit de gesprekken met de kleuters.

 

De geit heeft genoeg van het eten van gras ze wilde iets nieuws proberen.

Moet je altijd hetzelfde eten?

Uit “Gulzige Geit” Lemniscaat

“Nee, als je zin hebt in iets anders, kan je het vragen aan je moeder. Soms mag het niet, want dan is het niet goed voor je. Ik moet wel altijd groenten eten. Een Geit , moet gras eten, anders wordt hij ziek. “

Mag jij zelf kiezen wat je eet?

Ik mag altijd iets kiezen, maar ik eet wel gezond, want ik ben nooit ziek. Nee, ik mag niet kiezen, omdat ik gezonde dingen moet eten”. Als het feest is mag ik zelf kiezen. Als ik jarig ben mag ik kiezen. Mijn moeder zegt wat ik moet eten”

Welke dingen moet jij altijd eten? Is dat bij iedereen hetzelfde? Ik ga de kring rond en verzamel verschillende antwoorden, ik onthoud ze en noem de verschillen op; 

“Jeane moet altijd brood eten en Maartje moet altijd fruit eten. “

“Maar iedereen moet altijd fruit eten, zegt mijn moeder” Brood hoeft niet altijd, want ik heb geen brood bij mij in mijn trommel maar een pannenkoek”

En de geit, moet die fruit eten? ..

“De Geit mag zelf kiezen, hij moet ook fruit eten. Nee, hij kiest het niet, want hij weet het niet, hij kan niet kiezen.., dat moeten de mensen doen, dieren kunnen niet zelf kiezen”

De Geit probeert de brokjes van de hond, likt de melk van de poes en kauwt op de schillen van het varken

Gulzige Geit Lemniscaat

De dieren zien het niet; de Hond slaapt, de poes slaapt en het varken slaapt.

Ik doe met de kleuters even een spelletje met geluiden; welk geluid maakt de geit als hij de brokjes eet, de melk likt en de schillen kauwt?

Mag de Geit het eten van de hond, de poes en het varken eten?

“Nee, want dat is niet van hem, het is van de hond. Nee hij mag het niet want anders wordt hij ziek. Het geeft niet want de poes ziet het niet, en de hond ook niet en het varken slaap. Je mag altijd wel iets proeven van iemand anders, als je maar niet alles opeet. Nee het mag niet, want dan eet de geit veel te veel”

Ook een mogelijkheid voor een weer heel ander gesprek hier is of je iets mag als niemand het ziet. In deze les heb ik dat niet gedaan , maar je kan hier rustig ook verder over doorvragen.

(Mag de Geit het eten van de hond opeten als hij niet kijkt? Ja/nee? waarom wel/niet? Deze vraag sluit goed aan op het denken van het jonge kind over waarneming en zijn; als je iet niet ziet , dan is het er niet?? )

 

Daarna eet de geit de bloemen van de boerin. 

Gulzige Geit, Lemniscaat

Mag de geit de bloemen van de boerin eten?

Ik stel hier eigenlijk dezelfde vraag als hierboven , maar de omstandigheden zijn aan het veranderen!. Je zou kunnen zeggen “de spanning loopt op”; er zit een gradatie in het verhaal. Het begint gewoon en het wordt steeds gekker.  Er is nu een ander soort eigenaar in het spel ;  de eigenaar is nu een mens en niet meer een dier. Is er sprak van gezagsverhoudingen? Ook  het voedsel is anders; we kunnen ons hier af gaan vragen of het nog wel voedsel is. Dat is het leuke van dit verhaal. Ik ben heel alert op deze subtiele verandering  want  de kleuters reageren anders op deze nieuwe situatie. Nu is het eten niet meer van een ander dier maar van een mens en het is ook nog maar de vraag of je bloemen kan eten. Dus hier zijn nieuwe denkstimulansen in het verhaal  gebracht. Dus mijn doorvraag vragen ga ik in het gesprek ook opzoek naar nieuwe gedachten en gaat het gesprek een andere kant op. Ook let ik steeds om de denkwoorden; als , dan, omdat etc.

“Nee dat mag niet , want ze staan in de vaas, ze zijn van de boerin.”

Als de bloemen niet in de vaas staan , mag hij ze dan wèl eten?

“Ja, als ze in de tuin staan , mag het wel. Nee, er moet een hek omheen staan, want dan kan de geit er niet bij. Je moet er dan een hek omheen zetten, een hoog hek!”

Nee, hij mag ze nooit  eten want ze zijn niet goed voor hem.

Weet de geit dat hij de bloemen niet mag eten?

De geit weet het niet , dat hij de bloemen niet mag eten, want hij kan niet praten. Hij kan niet praten want hij is geen mens. 

Die avond at de geit de onderbroek van de boer

En toen gebeurde er iets met die geit.

De Geit werd groen en geel en blauw “gulzige Geit,Lemniscaat

De Geit veranderde van kleur; Groen , geen en blauw…

Hoe komt het dat de geit groen, geel en bauw wordt?

Hier ga ik op zoek naar het denken over oorzakelijke verbanden. De vraag “Hoe komt het dat?” stel ik  een aantal  keer weer, om  verdieping in het gesprek en het denken van de kinderen te stimuleren.

Eerst noemen de kleuters  directe oorzakelijke verbanden, na verder doorvragen worden er veel ingewikkelde oorzakelijke verbanden genoemd, die getuigen van het nadenken van de kinderen waarin ze relaties, associaties en argumenten geven.

“De Geit wordt geel van de onderbroek van de boer. De geit heeft veel kleuren opgegeten. Het zijn kleuren van een ziekte, het zijn zieke kleuren, dus de geit is ziek; als je ziek bent dan krijg je zulke kleuren. De geit eet de stof op en de broek is genaaid in de fabriek en daar zit nog een naald in en daarvan wordt hij ziek. De naald prikt in zijn buik. Hij heeft te veel van alles door elkaar gegeten, daardoor komt het.  Het komt omdat hij steeds andere kleuren  heeft gegeten. Misschien heeft hij ook wel kleurpotloden opgegeten Het is niet goed om een onderbroek of een sok op te eten, want dat is geen eten. nee , het is niet gezond, de geit moet eten voor een geit eten.  De geit weet niet wat goed voor hem is, dat moeten de mensen zeggen, maar die zijn niet in de buurt. Mensen moeten het afpakken, of hem voeren.”

(De kleuters maken in hun denkproces hier een stap  naar verantwoordelijkheid, schuld, menszijn en zorg. (zie ook boven)

Ik breng het gesprek nu tenslotte naar hun eigen directe omgeving en wil afronden met een spelletje.

Wat eet jij? 

Tomaten, appels, groeten, brood…

Word jij rood als je tomaat eet?  “Alleen als je er te veel van eet. Nee, dat gebeurt niet want het is gezond. Fruit is gezond, mijn moeder geeft mij fruit, dus het is gezond….

Dan doen we het spelletje; we sorteren dingen die je wel of niet kan eten.

Wat kan je wel/niet eten? zeg steeds waarom niet

je kan geen spijkers eten, want die prikken in je buik.

Je kan niet veel snoep eten , want dat is niet gezond, dat mag niet van mama.

Je kan niet een appel eten als je geen tanden hebt…

Je kan dit spelletje ook doen met voorwerpen in de kring, eetbaar en oneetbaar, alles door elkaar . Zet dan twee grote manden neer waarin de kinderen om de beurt iets kunnen doen.

etc….

 

 

 

Posted by | View Post | View Group

Gevangenis

Naar aanleiding van het bezoek van Amnesty international op de school waar ik filosofeer met groepen 7 en de dag van de mensenrechten op 10 december maak ik deze filosofieles over gevangenis.

De vrije denkruimte in de groep creëer ik door te beginnen met een verhaal waarmee je veel kanten op kan, waardoor het associatievermogen en de creatieve denkprocessen  van de leerlingen op gang komen en waarbij vooral niet direct allerlei “sociaal wenselijke” antwoorden opgeroepen worden.

Diogenes; Een verhaal

Volstrekte armoede 

De filosoof Diogenes leefde gedurende veel jaren in Athene. Hij verachte rijkdom en wilde niets bezitten. Hij zei ” ik heb niets nodig” Hij was tevreden met de allergrootste armoede. Hij was van mening dat hij alleen een doek om zijn lichaam te bedekken, een bord om te eten en een beker om te drinken nodig had. Toen hij een hond van de straat zag likken gooide hij zelfs zijn bord en beker weg”ik leef als een hond zei hij”. Hij had zelfs geen huis, maar woonde  zomer en winter in een ton.

Ontmoeting met Alexander 


Op een dag ontmoette Alexander, koning van de Macedoniërs, die met veel reisgezellen in de stad was gekomen, de vooraanstaande filosoof Diogenes. Hij zei: ‘Ik ben Alexander, de grote koning.’ ‘Ik ben Diogenes, de hond’ antwoordde Diogenes. ‘Waarom noem je jezelf een hond’ vroeg de Macedoniër. ‘Omdat ik kwispel voor ieder die iets rijkelijks schenkt aan mij, ik blaf naar hen die mij echter negeren en ik bijt hen als misdadigers.’ De koning die zijn vrijgevigheid wou tonen, zei tegen de filosoof: ‘Wens, O Diogenes, een geschenk! En dat wat je wenst zal de koning van de Macedoniërs je geven.’ Toen genoot de filosoof die voor zijn ton zat van de zon: ‘Ik wens, koning, dat je een beetje van de zon weggaat.’ Toen loofde Alexander de wijsheid van de standvastige man. Er werd verteld dat Diogenes zijn leven had beëindigd 90 jaar oud door zijn adem in te houden. 

Opdracht

Vragen

Let op; de onderstaande vragen zijn denkvragen en geen weet-vragen!

Bij denkvragen horen altijd argumenten; want, omdat, ook, maar . etc..

Bij denk vragen gelden nog meer regels;

wie het weet mag het niet zeggen , wie denkt mag het vertellen met altijd een argument!! Hoe meer hoe beter!

Bespreek onderstaande vragen in je groepje en verzamel zoveel mogelijk gedachten met argumenten, alles telt mee! Schrijf ze op je papier van de groep.

  1. Waarom zit Diogenes in de ton?
  2. Zit Diogenes in een gevangenis? Waarom wel of niet? Leg uit met denkwoorden; argumenten
  3. Kan je jezelf in een gevangenis zetten? Waarom wel of niet? Verzamel argumenten uit je groepje, hoe meer hoe beter!!!!

    pieter konijn kleurplaat Model Kleurplaat Konijn In Hok ARCHIDEV

  4. Zit het konijn op de tekening in een gevangenis?
  5. Wie bepaalt of iets een gevangenis is? Leg uit, geef argument!

 

Posted by | View Post | View Group

Voorraad & verzameling

Groep 3 en 4 denkt na over voorraad en verzameling en het verschil daartussen. Over kenmerken, toepassingen , ordening, gebruik, samenwerken. Deze gesprekken begeleidde ik voor leerlingen  van  de Capelse schoolvereniging 

-Hieronder kan je een klein stukje  volgen hoe mijn vragen opgebouwd zijn. Enerzijds heb ik een verhaal en een opzet van de les, anderzijds sluit ik steeds aan bij de gedachtenwereld van de kinderen. Hoe concreter hoe beter is mijn moto. Niks moeilijk, ingewikkeld of zweverig! Filosoferen kan met alledaagse kwesties en gedachten. Ik probeer als gesprekleider ook tegelijkertijd heel voorzichtig de eigen denkstappen van de kinderen  uit te lokken,  in de groep te delen en het verder denken met elkaar te stimuleren. Daarom vraag ik vaak wat denk jij? Wie denkt daar anders over, of wie is het er niet mee eens?” 

Eerst vertel ik het verhaal van de beer en het varkentje.

Wat doet het varkentje? (een vraag uit het verhaal in het hier en nu)

“Hij verzamelt dingen voor de winter. Wat verzamelt hij? “Eten en drinken en takken, water  en ..   Een voorraad voor de winter…….”

Verzamelen hoe doe jij dat?

Deze vraag is gericht op waarnemingen van de kinderen zelf naar zichzelf en naar elkaar , in hun dagelijks leven. Er worden door henzelf verbindingen gemaakt met thuis! Ook het gedrag en de handelingen die daarbij horen volgens de kinderen worden in de kring onder de loep genomen. Kinderen bewegen, doen dingen voor  en vertellen oer wat ze zien en wat ze zelf doen. In hun gedachten verplaatsen ze zich naar huis of een andere plek. In het gesprek probeer ik ze te verleiden te vertellen en ook nog meer dingen voor te doen. (Filosoferen met je hele lijf en Filosofie in het alledaagse) Zo  stappen ze al uit het hier en nu,  en gaan denken, associëren, verbinden, vergelijken en vertellen. Dat is wat ik met de jonge kinderen in beweging wil zetten om te gaan filosoferen.

Wat verzamel jij?

“Ik verzamel  warme jassen, en schoenen, en kaarsen, houtjes snoep, fruit, koekjes; als je verzamelt hebt heb je een voorraad. Het is lekker. Ik heb een kast met een voorraad thuis , met fruit en koekjes.” Je stopt het in een doosje of een kast.”

Een van de kinderen maakt een mooie als-dan redenering en die is erg belangrijk om nu eerst op verder te gaan. Ook de bewering dat je het in de kast of in een doosje stopt registreer ik.

Daar kunnen we later, in een volgende les,  een sorteeroefening mee doen met doosjes en andere opbergmiddelen. Wat doe je waar in en waarom? Ik heb nog een hele leuke les over een doos.

wat zit er in die doos?

In deze “wat-“ vraag hoor  ik ook dat er aanknopingspunten zijn om ook een sorteeroefening in gang te zetten  (zie einde van deze brief)

Heb jij een voorraad?

Eerder is het woord :”voorraad” genoemd in verband met het verhaal.  Varkentje verzamelt immers een voorraad voor de winter.

Ik sluit weer zo dicht mogelijk  aan bij de belevingswereld van de kinderen door door te vragen naar hun eigen voorraad. Heb jij een voorraad (thuis)?

Van wat heb jij een voorraad thuis?.koekjes, snoep, schoenen,  takjes, kaarsen, jassen, truien, voor andere kinderen die het koud hebben,

een verzameling schoenen

En, omdat er al wat eigenschappen worden genoemd (Lekker, warm)   ga ik als gespreksleider op zoek of de kinderen eigenschappen kunnen bedenken van hun eigen voorraad. Spontaan zegt een kind al “lekker” en een ander  “warm”  dus dan vraag ik door op mogelijke  eigenschappen van een voorraad., want ik merk dat de kinderen deze denkstap aan kunnen, ik vraag voorzichtig en noem zelf geen eigenschappen. Het duurt een tijdje vooradat er een reactie komt, dus ik herhaal de vraag vriendelijk en probeer het spannend te maken, vaak kijken de kinderen me in de eerste lessen aan en zeggen ik weet het niet. Als we dan wachten en de bal blijft bij één kind gaan de luikjes open en komt er zo maar een volledige redenering uit. Het wachten en luisteren loont.

“lekkers, moois, warms, licht ..dat kan je bewaren, ja licht van de kaarsen, dat is een voorraad licht “

Je kan ook dingen verzamelen voor anderen. Hier maak ik in mijn eigen hoofd even een stap naar de sociale dimensie , en twijfel of ik hierover door ga vragen,  maar , ook omdat de kinderen nog jong zijn wil ik het toch praktisch houden; dus kies ervoor om nog een “levende” sorteer opdracht te doen.

Wie is welke verzameling?

Dan visualiseren we met de groep , bewegend welke verzamelingen zich spontaan kunnen vormen in de groep. Kinderen zoeken naar gelijkenis onderlinge en verschillen. Ze formeren, al lopend, groepjes en bedenken hoe hun “levende” verzameling heet.

“We hebben, witte truien, bruine ogen, gele strepen en 5  verzamelingen van veterschoenen.”

Ik vraag of die veterschoenen bij elkaar kunnen , geen probleem. Ondertussen legt een kind spontaan gekleurde hoepeltjes om de groepjes.

In Groep 4

ga ik verder met dit verhaal over verschillen tussen verzameling en voorraad. Dat heeft nogal wat voeten in de aarde voordat we daar wat inzicht in hebben. In eerste instantie worden de begrippen door elkaar gebruikt; een dierentuin is een voorraad dieren. andere kinderen zeggen dat een kippenhok een voorraad dieren is. Er komt  een beetje inzicht over veel van het zelfde (voorraad) en allemaal verschillende dingen (verzameling) ook wordt er een interessant kenmerk genoemd van een voorraad; nl dat je die kan gebruiken. Om verder te onderzoeken geef ik de kinderen een teken opdracht ; maak een tweeluik ; aan de eenkant teken je een voorraad en aan de andere kant een verzameling.

Wordt vervolgd….

 

 

 

Posted by | View Post | View Group

Herfstbladeren

Konijn in gesprek met kabouter Puntmuts

 Filosoferen met kleuters over oorsprong, herkomst, identiteit en uiterlijkheid,  over verzamelen en hoe je dat doet. Over natuurlijke kringloop en seizoenen, over iets op verschillende manieren doen, over “anders of hetzelfde”.
In mijn 3 kersverse kleuterklassen  begin ik na de herfstvakantie met met een grote zak vol bladeren. De verzamelde herfstschatten liggen op een berg ik de kring.

Wat is het?

“Het zijn blaadjes van de bomen”

Waar komen ze vandaan?

“De blaadjes zijn verzameld. “ Wat is verzamelen? “Dan breng je ze bij elkaar, dat heeft iedereen gedaan, van het schoolplein” Iedereen?Jij ook ?Hoe doe je dat? “Dat doe je zo!”  -Een kleuter doet alsof hij tussen duim en wijsvinger een blad oppakt. Kan het ook anders? Ja met twee handen.” Kleuter doet het voor met 2 handen en “pakt” tussen duim en wijsvinger met 2 handen 2 bladeren van de grond-. “Daar doe je wel een hele dag over om zo’n berg te verzamelen, met een hand, met twee handen een halve dag…” ” Kan het ook sneller? -Een kleuter bukt en maakt een bij elkaar vegende beweging met 2 wijde armen.- Wie kan het nog meer laten zien? Wie doet het anders? Je kan ook met een schep heel snel veel blaadjes oprapen of met een emmer “zo!” Wat kies jij? hoe verzamel jij herfstblaadjes? “Ik doe het met één hand , want dat kriebelt lekker tussen je vingers.”

We doen een bewegingsspelletje en alle kleuters lopen door het lokaal en doen alsof ze blaadjes oprapen. Iedereen een beetje anders en dat kunnen we  goed zien!

We kijken nog eens goed naar de berg blaadjes. Weer vraag ik “wat zie je?” “Ze zijn niet allemaal hetzelfde, de een is bruin en de ander geel. De vorm is ook anders, sommige blaadjes zijn kapot, dat hebben de vogels gedaan”

Kinderen wijzen blaadjes aan en pakken een blaadje wat zij interessant vinden. Komen ze van dezelfde boom?  “Nee , want sommige bomen zijn dun en andere dik en sommige bomen zijn hoog en andere laag, dus dan zijn de blaadjes ook anders. Kunnen kleine bomen dezelfde blaadjes hebben als grote bomen. “Dan zijn het babyboompjes. Ik heb hetzelfde haar als mijn familie, mijn broertjes en zusjes en papa en mama.”

Als we terug in de kring zijn vertel ik de kinderen dat ik vanochtend geluidjes hoorde uit mijn fietstas, waar de zak met bladeren inzat. Alle kinderen doen hun ogen dicht en het konijn komt tevoorschijn onder de hoop met bladeren. Dat is even spannend! Konijn is erg geschrokken vanochtend want het was heel donker in zijn hol, het was bedekt met blaadjes. En nu denkt Konijn dat de bomen ziek zijn. Hij wil alle blaadjes vastplakken aan de bomen met plakband dus hij gaat naar kabouter puntmuts om zijn plakband te lenen. Als Konijn vertelt wat hij wil gaan doen moet kabouter Puntmuts heel erg hard lachen, zijn buik schudt helemaal op en neer.

Dan vraag ik de kinderen waarom moet kabouter Puntmuts zo lachen?

“Het hoort zo, het is herfst. Ja hij kan wel de blaadjes op de bomen plakken, maar dan waaien ze er toch weer af, want het is herfst en dan waait het” “De bomen zijn niet ziek, dat hoor zo dat is normaal, het is de natuur, het wordt koud, de herfst en dan wordt het winteren en dan worden de blaadjes sneeuw, in de winter. Bomen kunnen nier ziek worden. want ze kunnen niet kijken en praten en lopen. De spinnen vinden het leuk dat er blaadjes vallen , als de blaadjes aan de bomen zitten zijn ze groen, er zitten geen gele blaadjes aan de bomen dus het kan niet wat Konijn wil” 

Dan zingen we nog een liedje en spelen de bewegingen als we zingen:

Blaadjes dwarrelen in het rond, Blaadjes vallen op de grond, Blaadje komt voorbij, Pak en deze is voor mij!

Verslag van gesprek met 3 kleuterklassen 28/10/ 2019 Capelse SchoolVereniging

 
 
Posted by | View Post | View Group

FilosofieCafé 28/9

Zaterdag 28 september was het eerste FilosofieCafé in de bibliotheek van Capelle a/d IJssel.

filosofiecafé
Filosofiecafé

Het thema voor de eerste bijeenkomst was “Ruimte”. Voor de opmaat van het gesprek selecteerde ik een Drieluik van 2 korte verhalen van de schrijver en beeldend kunstenaar Armando uit zijn bundel “ultra korte verhalen tot nu toe” “Ter Plekke” en een beeld van de kunstenaar Marc-Antoine Mathieu uit zijn werk “De weg omhoog”

Drie zeer verschillende impressies waarin de kunstenaars spelen met het begrip ruimte. Wijds, kosmisch, aards, individueel, religieus, natuurlijk, relatief, organisch, bouwtechnisch en nog veel meer , hetgeen in het filosofisch gesprek onderzocht wordt.

Het gesprek met de deelnemers kwam tot stand vanuit de vraag “Wat is ruimte ” Onderstaande tekst is een zo nauwkeurig mogelijke weergave van wat er ter tafel kwam, met zo min mogelijk tussenkomst van mij als Socratisch gespreksleider.

Wat is ruimte?

“Ruimte is een dimensie, maar die mensen te boven gaat, we kunnen het niet bevatten. Het is iets wat zo gegeven is en zo complex. Het is kosmische ruimte, het is niet peilbaar, de kosmos, alles wat buiten de aarde is. De aarde is eindig de ruimte is oneindig. “

“Ruimte is de twee lege kamers die ruimte geven nu er 2 kinderen de deur uit zijn. Dit is nu ook ruimte in de tijd, meer tijd, meer energie en…ook weer meer willen. En nu wil ik oneindig veel, lijkt het wel en dan ontdek ik dat die tijd-energie -ruimte beperkt is.”

“Ruimte in je hoofd, geestelijke ruimte, ruimte om iets te willen.”

“Ruimte gaat ook over een grens, want misschien is er niet genoeg ruimte voor alles. Dus je moet kiezen.”

Heeft ruimte iets met kiezen te maken?

“Het is ontdekken wat je met de vrijgekomen ruimte kan doen . Ruimte is vrijheid. Een lege agenda , dat is ruimte. Ruimte is leeg. Meetbaar en /of onmeetbaar. Niks = een lege ruimte.”

“Ruimte is bewegingsruimte en ademruimte. Vrijheid om lucht te hebben. Als er mensen niet zijn is er meer ruimte, dat is lege ruimte. Er zijn ook mensen die te veel ruimte innemen.”

“Ruimte is in tijd. Alle soorten ruimten hebben te maken met openheid en grenzen en afbakening.”

“Ruimte is persoonlijk, soms kan iemand in jouw ruimte komen, dat is dan een bedreiging van je persoonlijke ruimte, jouw bubbel. Dan kan je je eigen ruimte groter maken. In het dagelijks leven valt mij op dat mensen in het openbaar vervoer vaak van plek veranderen. Dan zitten ze eerst hier en dan daar, ze wisselen van ruimte”

Wat is jouw ruimte?

“Mijn ruimte is er als mensen te dicht bij komen, dat is eigen ruimte. Mijn ruimte is relatief.”

Kan je ruimte bezitten?

“Ja dat is jouw persoonlijk ruimte. Het kan ook de ruimte van iemand zijn, een huis of zo. Mijn huis is mijn ruimte en dat betekent dat er geen dingen gebeuren die ik niet wil. Er zijn regels in mijn ruimte, mijn huis.”

Het Huisje uit de bundel “Ter Plekke” Armando

“Vroeger stond mijn deur altijd open die doe ik nu vaker dicht en ik bepaal wie er binnen komt.”

“Ruimte heeft ook te maken met je integriteit. Ruimte heeft met energie en respect te maken. …Persoonlijke ruimte zou er niet zijn als er geen mensen zijn. Soms heb je een mentale conditie, waardoor je verward bent over je ruimte , je eigen ruimte en grenzen.”

“Er is ook Publiek ruimte, waar iedereen mag komen .Daar moeten dan wel regels zijn over wat wel en niet mag. Nee, misschien wel niet , je hebt misschien geen regels nodig in die publieke ruimte. Maar, we zijn met zoveel mensen. Als je je eigen huis hebt dan heb je toch regels nodig, want je wil ook dingen delen. Sommige mensen zijn grenzeloos. Hoe komt het dat mensen grenzeloos zijn? Waarom we iets ervaren als grenzeloos, dat is persoonlijk, dat is voor iedereen anders? Als er geen grenzen zijn, of regels, dan ervaren we pas dat iets grenzeloos is, je moet het ervaren. “

“De grens was er altijd, dat hoor bij ons. Dat begint al bij kinderen en baby’s in de baarmoeder, een grens is natuurlijk en vanzelfsprekend. Grenzen zijn er altijd in ruimte. Dat is veiligheid. De baarmoeder is een veilige ruimte. Grenzen zijn een natuurlijk gegeven.”

“Grenzen zijn soms noodzakelijk. De ene gemeenschap zal meer regels nodig hebben dan een andere. Gedachteruimte is oeverloos, die heeft geen grenzen nodig. Gedachten, gevoel en je hard , dat is vrijheid èn ruimte.”

“Grenzen zijn ook bij dieren natuurlijk, honden bakenen hun gebied af.”

Zijn mensen altijd op zoek naar hun eigen ruimte, wat dat is en waar ze die kunnen vinden?

“Vanaf onze geboorte zijn we hiernaar op zoek. Je weet niet beter. Hoe zit dat dan met tweelingen? Ze horen bij elkaar en ontstaan in de zelfde ruimte. Zij geven elkaar veiligheid, maar soms wille ze helemaal geen ruimte delen en gaan ze zo ver mogelijk bij elkaar vandaan.”

“Veiligheid en ruimte is cultureel bepaald. Bijvoorbeeld in Japan lopen de mesne er tegenaan dat ze minder ruimte hebben en daarom is er veel zelfmoord.”

Tenslotte moeten we afronden in het onderzoek, voorlopig. Een logopediste benoemt dat we zoveel woorden hebben vanuit een woord, woorden komen we te kort voor veel soorten ruimte. We hebben onderzoek gedaan naar soort ruimten en ook naar welke kenmerken ruimte eigelijk kan hebben.

Dank voor alle bijdragen van de deelnemer en tot volgende keer , aks we het filosofisch onderzoek staarten naar duurzaamheid.

 

 

 

 

Posted by | View Post | View Group

Wat is er anders??

Wat is er anders aan een les filosoferen met leerlingen?

Een les filosoferen op de basisschool is in veel opzichten het spiegelbeeld van een ‘gewone’ les. Het doel van filosoferen is niet de overdracht van lesstof aan leerlingen in de rol van toehoorder, maar de ontwikkeling van het vrije denken, zowel individueel als met elkaar in de kring. Inhoudelijk stelt de leerkracht alleen vragen en geeft geen antwoorden. De belangrijkste rol van de leerkracht is die van gespreksleider, opdat voor iedereen de vrijheid ontstaat om de eigen gedachten en gevoelens uit te spreken, naar elkaar te luisteren, op elkaar te reageren en zo tot een gedeeld beeld van het onderwerp te komen. Daarom is er ook geen oordeel van de leerkracht over een goed of fout antwoord.

Die vrije denkruimte ontstaat niet vanzelf. Daarvoor is een cultuur van regels, rituelen en vaardigheden nodig die de leerlingen eerst zelf moeten ontdekken. Dat kan bijvoorbeeld door ze 1 minuut in volledige chaos door elkaar heen te laten praten en daarna te vragen wat de anderen zeiden. Een speelse manier van ontdekken van de voorwaarden en vaardigheden voor vrij denken en spreken in een kring werkt al heel goed bij oudere kleuters, zo vanaf een jaar of vijf. Wachten op je beurt, onthouden wat je zeggen wilde, pas spreken als je de bal en de aandacht hebt en de bal weer doorgeven aan de volgende spreker worden spelenderwijs geoefend en dragen bij aan de ontwikkeling van het gevoel van gelijkwaardigheid, veilgheid en zelfvertrouwen in de groep.

In de beginfase moet die gesprekscultuur wel initieel neergezet worden, omdat anders alleen de meest taalvaardigen aan het woord komen en er van meet af aan een hiërarchie in de kring ontstaat die belemmerend werkt voor de meer verlegen leerlingen. Daarom begint de les altijd met rituelen die voor iedereen gelijk zijn en waaraan iedereen in gelijke mate deelneemt. Dat zet ook de meest verlegen leerling vanaf het allereerste begin in een gelijke positie. De begroeting bij de deur, rustig gaan zitten in de kring, de regels van de bal en het uitspreken van de naam vormen de vaste rituelen, die elke week geoefend worden, omdat de les doorgaans maar eens per week plaatsvindt en de open gesprekscultuur snel vervliegt.

De handhaving van de regels in de vorm van instructies en regie over wie er het woord krijgt en over welke vraag, is in het begin erg belangrijk en kan soms rigide overkomen in vergelijking met een normale les. Striktheid in vorm en regie gaat hier samen met volledige vrijheid in de inhoud en is nodig om de aandacht gefocust te houden op het onderwerp, respect te oefenen voor elkaar en te voorkomen dat vrij spreken ontaardt in gekissebis onderling. Door dit ook tot onderwerp van gesprek te maken groeit de open denkruimte, het respect voor diversiteit en andermans gedachten, en beklijft de open gesprekscultuur. Naarmate de groep meer zelf in staat is om deze cultuur te handhaven, wat uiteindelijk het doel is van de lessen filosoferen met leerlingen, trekt de leerkracht zich geleidelijk steeds verder terug. Dit vormt de basis om zelfstandig de weg te vinden in een veelheid van meningen in de hedendaagse samenleving en daarmee naar democratisch burgerschap.

Posted by | View Post | View Group

muziekdoosje

In groep 7 hebben we al heel vaak, ook in vorige jaren, nagedacht over afval en hergebruik. Mijn nichtje Sanne van Hemert maakte een korte film met Brightvibes van deze ambachtsman Robin Wood. Hij maakt van zeer speciaal hout muziekdoosjes. In Februari 2019 bezocht ik hem, toevallig, in Amersfoort.

Ik was nog meer geïnspireerd om deze film te laten zien aan groep 7 en erover te filosoferen. https://www.brightvibes.com/1036/nl/er-zit-muziek-in-dit-oude-stadshout

Stilte….

Nadat we gekeken hebben is het bijna 2 minuten stil. Ik weet niet hoe dat kwam, misschien toeval, maar daarna spraken de kinderen erover alsof ze Rob persoonlijk kenden. Ze hadden heel goed geluisterd. Zelfs het woord anoniem konden ze nog herinneren.

Wat heb je gezien?

“Als de bomen oud of ziek zijn of er moeten bomen gekapt worden dan krijgt Rob het hout. Ook bijvoorbeeld als er nieuwe wegen gebouwd moeten worden. De mensen geven de resten hout aan hem. Rob maakt daar muziekdoosjes van. Hij verzamelt het hout. Hoe doet hij dat? Hij heeft een kamer met allemaal hout. Hij heeft een kamer met alleen maar hout. Er staat bij uit welke straat het komt en welke boom het is. Mensen kunnen een muziekdoosje laten maken van het soort hout en weten van welke boom precies. Hoe doet hij dat? Hij gaat eerst zagen als het binnenkomt, in vierkanten precies, voor hij het opbergt. Maakt het uit dat de mensen precies weten van welke boom het hout is? “Het is voor Rob heel speciaal, omdat hij het weet en ook omdat hij het zelf heeft gemaakt. Voor de mensen is het speciaal omdat hij het er opschrijft, waar het hout vandaan komt. Het is meer waard als je het weet. Voor Rob is dat ook zo. En voor de mensen is het iets uit het verleden, herinneringen zijn ook iets waard. Waarom doet hij dat? Ja het is iets uit het verleden. Ook omdat hij, die Rob, het zielig vindt voor de vogels, omdat hun boom is weggehaald. Het zijn geen normale bomen maar zieke bomen. Rob wil niet dat het anoniem is. Wat is anoniem? Anoniem is als je niet gezien wil worden. Rob wil niet met anoniem hout werken. Hij wil niet werken met hout wat geen naam heeft. Is het meer waard? Ja herinneringen hebben waarde, voor de mensen. Wat heeft dit met afval te maken? Hij hergebruikt het hout-afval. Is het doosje meer waard dan de boom? Als de boom ziek is wel. nu kan iedereen een stukje van de boom hebben. Anders zouden ze het verbranden ofzo..

Het archief van Rob

Posted by | View Post | View Group

Als jij een dier zou zijn

Met groep 5 onderzoeken we welke dier we zouden willen zijn. De aanleiding is het verhaal over een jongen die een leeuw wilde zijn. Eerst tekenen de kinderen zichzelf als een dier met herkenningspunten van zichzelf.; een glimlach, haren, gezicht etc.

Schrijf een avontuur van jezelf als dier.

Individueel gaan de kinderen aan de slag met hun avontuur. R. doet als beer een lange winterslaap. J is een hert dat een wolf als vriend heeft, de andere herten vinden dat gek en jagen de wolf weg. Uiteindelijk wordt haar vriend de wolf doodgebeten. P. is een werkmier, omdat hij graag bezig is. Al die verhalen leveren weer stof op om te filosoferen. Waarom wil je dat dier zijn. Heeft het iets met jou te maken. Hoe kunnen herkennen dat jij het bent. T. Vraagt ; “wil je in de toekomst ook dat dier zijn? Door de fantasie en de vraag “wat als?” Vetellen de kinderen veel over hun eigen perspectief en kunnen we ook weer met elkaar nadenken over de verschillen daarin en hoe je dan handelt, kijkt en denkt.

ik ben een koe en ik wil niet in een hok

Posted by | View Post | View Group

Op zoek naar de mens

Wat vertel je een Alien over wat een mens is?

LL-en schrijven ren brief aan een Alien waarin ze uitleggen wat een mens is.

Naar aanleiding van het verhaal van Diogenes op zoek naar de mens.

met de klas doen we met behulp van mind-maps een explorerend onderzoek. We verzamelen alles in een mind-map


Eerst werken de ll-en aan een brief individueel gericht aan een Alien. Daarna onderzoeken we alle brieven klassikaal en halen er de eigenschappen uit die genoemd worden als zijnde van een mens. Daarna onderzoeken de ll-en individueel welke eigenschappen specifiek voor een mens gelden en welke eigenschappen ook voor anderen “dingen” gelden” .Over uniciteit, herkenbaarheid, volledigheid , identiteit en pragmatiek. Ook ervaren de ll-en op welke wijze je onderzoek naar iets kan doen; explorerend, beschrijvend of narratief, filterend, convergerend, beeldend, fenomenologisch en vergelijkend. En òf ze wat leren in de filosofieles!

Posted by | View Post | View Group

Diogenes

Met groep 7 zijn we gestart met een filosofisch onderzoek naar de levensstijl en opvattingen van Diogenes (323 v. chr.). Diogenes was een filosoof uit de school der cynici. Het woord cynisch komt uit het Grieks: κυνικός (kunikos), “honds”. Dit is een bijnaam die de cynici, een groep oud-Griekse filosofen, zichzelf gaven, zij het met een heel andere bedoeling dan uit het hedendaags spraakgebruik naar voren komt: de antieke cynici wilden als mens dichter bij de natuur leven.

De komende weken denken we na over wat je nodig hebt, hoe je leeft, hoe je denkt en hoe je kan waarnemen en nog veel meer.

Diogenes leefde in een ton (een stenen vat)

Wat was Diogenes voor een man?

Hij was een man die niet veel spullen nodig had om gelukkig te zijn. Hij gaat tegen mensen blaffen en bijten . Hij is een mens die doet als een hond. Hij woont in een ton.

foto gemaakt door Geertien Pols; Obdachloser / daklozen

Waarom doet hij dat?

Hij wil laten zien dat hij niets nodig heeft. Hij is een zwerver. Hij bepaalt zelf of hij een hond wil zijn of een mens dus hij is geen hond. Hij wil wel een hond zijn, maar hij is een mens ook al doe hij als een hond. Hij was wijs want hij gebruikte niet veel dingen om te leven. Je kan niet leven zonder dingen, zelfs een zwerfhond heeft eten en drinken nodig.

We doen verder onderzoek naar de vraag Wat heb je nodig om..? De ll-en maken mind-maps.

Wat heb je nodig om te leven?


De komende lessen maken we hier opdrachten mee, spelletjes en gaan dieper hierop in in het filosofisch gesprek.

Posted by | View Post | View Group